Op 13 juni 1944, om 04.18 uur, precies een week na D-Day, spatte de eerste vliegende bom op Engelse bodem uiteen. Het Duitse volk had zijn vergeldingswapen, dat de geallieerden de honderdduizenden bommen op Duitse steden betaald zou zetten. Hoewel de traag vliegende V-1's, door de Engelsen 'doodlebugs' genoemd, met hun verre van volmaakte stuurmechanisme veel onrust onder de Engelse burgerbevolking zaaiden en door hun relatief grote aantal, omvangrijke materiele schade veroorzaakten, konden ze geen invloed meer uitoefenen op het verdere verloop van de oorlog.
Naast de V-1 was de V-2 in ontwikkeling. Dat deze geen bedreiging meer konden vormen voor de invasie, was te danken aan het bombardement van de RAF op de proeffabrieken te Peenemunde aan de Oostzee in augustus 1943.
De eerste 'Diver' kwam met een daverende klap neer in Swanscombe, ten oosten van Londen. Het was de eerste van de 2300 doodlebugs die tussen 16 juni en 5 september 1944 neer zouden komen en veel slachtoffers zouden gaan maken. In die 80 dagen hadden de Duitsers ongeveer 8000 vliegende bommen gelanceerd, waarvan er dus 2300 de Engelse verdediging zouden passeren.
Met grote haast werd een verdedigingssysteem opgericht, bestaande uit luchtdoelgeschut, kabelballons en jachtvliegtuigen. Alleen de laatsten zouden effectief kunnen zijn, omdat de V-1's op een hoogte van ongeveer 800 meter en met een snelheid van 660 km. per uur vlogen. Van alle jachtvliegtuigen was de Hawker Tempest het meest geschikt door de snelheid en dus de mogelijkheid de V-1 horizontaal in te halen.
 

Vallende V-1 boven Londen